Basiskennis dossier liftinstallaties

Samengesteld door: Kim Wolters, Henny Brullemans


Definitie

In gebouwen met meerdere verdiepingen, tref je veelal liften aan voor personen- en goederenvervoer. In veel gebouwen is een liftinstallatie wettelijk verplicht.

Facilitair

Bij een gebouw met meerdere verdiepingen zal vaak een lift aanwezig zijn. Dit hoeft niet altijd een personenlift te zijn maar kan ook een goederenlift betreffen. Het is de taak van het facilitair management om te zorgen dat de liftinstallaties in optimale staat verkeren. Dit wordt gerealiseerd door tijdig onderhoud te (laten) doen aan de installatie.

Voordelen
Bij verhuizingen, ongevallen en/of arbeidshandicap kan een lift de werkzaamheden makkelijker maken of juist zorgen dat de medewerker zijn werkzaamheden uit kan voeren.

Nadelen

Een lift is niet te gebruiken tijdens brand, stroomstoring of andere calamiteiten. Hierdoor kunnen mensen vast komen te zitten in de liftkooi en zullen ze door liftmonteurs of de brandweer eruit gehaald moeten worden. De lift wordt naar een verdieping gebracht waarna de deur geopend wordt om de persoon eruit te laten.

Soorten

De lift stamt al van voor de industriële revolutie. In 1853 werd op de wereldtentoonstelling in New York door Otis voor het eerste een veiligheidsinrichting van de kooi van een lift tentoongesteld. De kooi werd vastgeklemd op het moment dat de spanning van de liftkabels werd gehaald. In 1877 werd de eerste tractielift gebouwd die werkte met hijskabels en elektrische aangedreven schijven. Er bestaan vele verschillende soorten liften: Kettinglift, Scheepslift, Traplift, Mindervalidenlift, Verhuislift, Kleingoederenlift, Panoramalift, Platformlift, Autolift, Personenlift, Kantellift, Goederenlift, Paternosterlift.

  • Machinekamerloze liften
    De aandrijving van deze lift zit verwerkt in de liftschacht. Deze methode wordt sinds 10 jaar toegepast en gebruikt bij bijna elke nieuwbouwlift. Hierdoor hoeven de ontwerpers van het gebouw geen rekening te houden met de extra ruimte voor de machinekamer.

  • Tractieliften met machinekamer
    Doordat het tegengewicht zwaarder is dan de liftkooi verbruikt de lift minder energie. De wrijving tussen de kabels zorgt dat de lift beweegt. De lift stopt bij het bufferpunt waardoor de lift nooit verder kan komen dan de onderste of bovenste stopplaats. Deze methode werkt met een machinekamer waardoor het meeste onderhoud gedaan kan worden terwijl de lift operationeel blijft. Hierdoor is dit een goede installatie voor bijvoorbeeld ziekenhuizen. Deze machinekamer bevindt zich in de meeste gevallen boven de liftschacht en dus boven op het dak. In deze kamer is de liftmachine geplaatst en de schakelkast die de besturing van de lift regelt. Er zijn liften waar de machinekamer langs de schacht of onder in het gebouw is gelokaliseerd. De machinekamer zit echter altijd dicht in de buurt van de liftschacht.

  • Hydrolische liften
    Bij hydraulische liften vindt de verplaatsing van de kooi plaats door middel van vloeistof onder druk. De installatie bestaat uit een vloeistofbak met een elektrisch aangedreven pomp, een leidingsysteem, een stuurblok, en een cilinder met een plunjer. Wanneer de kooi omhoog moet worden bewogen gaat de pomp draaien en verplaatst deze de vloeistof naar het leidingsysteem. Het leidingsysteem zorgt voor een drukopbouw waardoor de plunjer uitschuift. Als gevolg hiervan beweegt de kooi omhoog. In het leidingsysteem zit een terugslagklep die ervoor zorgt dat de kooi op de juiste hoogte blijft als de pomp uitschakelt. De kooi zakt naar beneden door de vloeistof uit de cilinder weg te laten stromen.

  • Trommelliften
    De kooi wordt omhooggetrokken door een ketting of kabels die op een trommel worden omgewonden. Door deze methode is tegengewicht niet noodzakelijk. Echter zijn deze liften onveilig voor personenvervoer doordat de kooi door het plafond van de schacht heen getrokken kan worden wanneer de trommel aandrijving niet wordt uitgeschakeld.

  • Spindelliften en tandheugelliften
    De kooi beweegt zich met behulp van een mechanische installatie, door langs geleiders omhoog te klimmen.

  • Vacuümliften
    In een nauwsluitende schacht beweegt de liftkooi door het gecreëerde vacuüm omhoog. Het kan vergeleken worden de vuil dat door een stofzuigerslang gezogen wordt.

Bediening

Vroeger werden liften bediend door zogeheten liftboys, dit waren jongens in de tienerleeftijd en bedienden de liften door middel van een hendel omhoog en omlaag te bewegen. Zij waren verantwoordelijk dat de liftkooi op de juiste verdieping en uitstapniveau stopte. Liften worden tegenwoordig bediend door middel van drukknoppen die door liftgebruikers zelfstandig bedient kunnen worden.

De liftgebruiker drukt in de hal op de knop om de lift op te roepen, hiervoor kunnen meerdere knoppen aanwezig zijn. Bij moderne liftinstallaties zal het drukken op één knop alle liften oproepen. De dichtstbijzijnde lift waarbij jou route past zal reageren op de oproep. Een liftkooi die op route is naar boven zal je pas op de terugweg ophalen wanneer je naar beneden wenst te gaan. Oudere liften kunnen maar een opdracht per keer opslaan waar moderne liften zo geprogrammeerd zijn om efficiënt de verdiepingen af te werken, dit wordt een verzamelbesturing genoemd.

Binnen in de liftkooi kan op het bedieningspaneel aangegeven worden welke verdieping de kooi moet stoppen. Wanneer het gebouw uit zeer veel verdiepingen bestaat kan dit paneel een numeriek toetsenbord hebben waar handmatig het verdiepingsnummer ingevoerd moet worden. De nieuwste technologie maakt het mogelijk om in de hal de gewenste verdieping te kiezen. De liftinstallaties geeft aan welke lift gepakt kan worden om de verdieping te bereiken. Het is echter niet mogelijk om in de lift een andere optie te kiezen.

Normen, wet- en regelgeving

In 1853 werd de vanginstallatie uitgevonden waardoor bij het breken van kabels de lift niet naar beneden valt. De soort vanginstallatie van de liftkooi is afhankelijk van de snelheid. Er kan o.a. gekozen worden voor blokkeervangen, blokkeervangen met bufferwerking, glijvangen en remvangen.

De normen van liften verschillen per land, in Europa telt de NEN-EN-81, Amerika, ASME A17, Canada CAN/CSA B44 en Australië AS1735.

In 1929 is de Nederlandse Vereniging voor Liftnijverheid (NVL) opgericht. Hierdoor moest de naam van leveranciers en deugdelijke producten gewaarborgd worden. In 1930 deed het NVL vraag naar het opstellen van veiligheidsvoorschriften waardoor in 1933 een leidraad verscheen over veiligheidsmaatregelen van liften. Aan de hand van dit rapport werd later dat jaar het Nederlandse Instituut voor lifttechniek (NIVL) opgericht.

In 1950 ontstond na het herzien van het leidraad de eerste nationale norm voor liften N1081. In 1969 werd dit de NEN1081, die aangepast werd door een ongeluk waardoor de eis van een kooideur werd toegevoegd. In de derde druk van 1971 werden de eisen van hydraulische liften toegevoegd en in 1979 werden de eisen voor de elektrisch aangedreven liften opgenomen in de NEN-EN-81-1 en in 1989 werden de eisen voor de hydraulische liften apart opgenomen in de NEN-EN-81-2.

In het bouwbesluit van 2012 is opgenomen dat wanneer een vloer hoger ligt dan 20 meter er een brandweerlift aanwezig dient te zijn. Bij een brandweerlift zijn de deuren brandwerend zodat de lift bij brand gebruikt kan worden.  

Dat liften moeten voldoen aan strenge veiligheidseisen en dat lifteigenaren verplichtingen hebben is in Nederland zeker niet nieuw. Al sinds de jaren dertig van de vorige eeuw wordt er in Nederland gewerkt met veiligheidsstandaarden voor liften én is er sprake van een periodieke keuringsplicht door een onafhankelijke instantie. Door de jaren heen zijn de vereisten en verplichtingen aangepast. Het veiligheidsniveau van de liften in Nederland is daarom op een bijzonder hoog niveau.

Specifiek voor liften zijn er in Nederland twee belangrijke gebieden waar regelgeving op van toepassing is:

-       Warenwetbesluit liften Met daarin o.a. de wettelijke eisen waaraan een fabrikant en installateur moeten voldoen als er een nieuwe lift wordt geplaatst, maar waar ook de eisen staan die in de gebruiksfase gelden voor eigenaar van de lift en de onderhoudspartij.

-       Normen voor Liften Met hierin de specifieke eisen die gelden voor een lift. Denk hierbij onder meer aan de technische voorschriften, de ontwerpeisen, de wijze van beproeving van componenten.

Naast deze regelgeving gelden ook andere wettelijke verplichtingen waaronder het bouwbesluit, woningwet, aansprakelijkheidswetgeving en dergelijke. Ook kunnen plaatselijke verordeningen of brandweervereisten een rol spelen. Deze normen willen elkaar op sommige punten nog wel eens tegenspreken.

Warenwetbesluit Liften

Het warenwetbesluit liften vloeit voort uit de Europese richtlijn voor liften de 2014/3/EU. Fabrikanten van liften dienen ervoor te zorgen dat er een lift wordt geleverd die conform de op dat moment gelden de eisen (norm).  Deze conformiteitsbeoordeling wordt uitgevoerd door een hiertoe door een wettelijk bevoegde instantie, bijvoorbeeld Liftinstituut of TÜV. In veel gevallen is er geen keuring meer nodig om een lift op te leveren. De conformiteitstoets is dan al in de ontwerpfase van een liftfabrikant uitgevoerd.

Nadat een lift in gebruik is genomen gaat de gebruikersfase in. Hierin is een eigenaar verantwoordelijk voor de veiligheid van de gebruikers van de lift, maar ook voor de veiligheid van onderhoudsmedewerkers van de lift. Dit houdt onder meer in dat een lift goed onderhouden moet worden en dat er een regeling is getroffen in geval van calamiteiten. Dergelijke zaken worden over het algemeen over gelaten aan een onderhoudspartij, die er op zijn beurt voor zorgt dat de installaties volgens de instructies wordt onderhouden en een logboek bij houdt.

Een eigenaar is er tevens verantwoordelijk voor dat er een certificaat van goedkeuring is. Deze laatste wordt gegeven na een keuring door een onafhankelijke keurende instantie. Ook dient er voor te worden gezorgd dat de installatie toegankelijk zijn voor onderhoudsmedewerkers en de liftruimtes niet worden gebruikt als berging of andere installaties.

Normen voor liften

Sinds september 2017 gelden de normen NEN-EN 81-20 en NEN EN 81-50 voor nieuwe liften. De eerste norm NEN-EN 81-20 behandeld de veiligheidseisen voor het vervaardigen en installeren van liften. Een tweede norm, de NEN-EN 81-50, bepaalt de ontwerp, test- en keuringseisen voor liftonderdelen.

Voor oudere liften geldt de oorspronkelijke vervaardigingsnorm ten tijde van de ingebruikname. Is de lift geleverd in 1990, dan blijft de norm uit 1990 van toepassing. Wel zijn er aanvullende arbo-gerelateerde eisen gesteld aan oudere liften in het Warenwetbesluit liften dat in september 2003 effectief is geworden. Hieronder vallen onder meer afscherming van draaiende delen, wegnemen van valgevaar, verlichting niveaus op werkplekken en hulpmiddelen zoals ladders.

Als een oudere lift compleet wordt vervangen dan gelden de nieuwste normen. Met name bouwkundig kan dit vergaande consequenties hebben. Zodra vervanging van een lift een rol gaat spelen loont het de moeite om modernisering volgens een oudere norm te onderzoeken. De ervaring leert wel dat oudere liften zo goed gebouwd zijn dat gedeeltelijke modernisering duurzaam is én beter voor de portemonnee.

Aanvulling: Oude normen voor liften blijven geldig

De oorspronkelijke vervaardigingsnorm is de norm die geldig was toen de lift in gebruik werd gesteld. De veiligheidseisen van het bouwjaar blijven van toepassing als minimale vereiste. Door de jaren heen zijn de specifieke vereisten voor liften aangepast aan de stand der techniek.

In 1933 ontstond vanuit een samenwerkingsverband van liftfabrikanten en de overheid de “Leidraad voor veiligheidsmaatregelen voor liften”. In datzelfde jaar werd ook het NIVL, later Liftinstituut, opgericht, met als doel de veiligheid van liftsystemen te bevorderen. Liftinstituut kreeg in 1956 ook de aanwijzing om liften te keuren, zowel na installatie al daarna ook periodiek. In 1950 ontstond na het herzien van de “Leidraad” de eerste nationale norm voor liften N1081. In 1969 werd dit de NEN1081. In de derde druk van 1971 werden de eisen van hydraulische liften toegevoegd. In 1979 werden de eisen voor de elektrisch aangedreven liften op Europees niveau opgenomen in de NEN-EN-81-1 en in 1989 werden de eisen voor de hydraulische liften apart opgenomen in norm NEN-EN-81-2. In de derde druk van 1998 en met diverse aanvullingen  tot 2010 zijn er op onderdelen diverse zaken gewijzigd. In 2014 zijn de nieuwste normen NEN-EN 81-20 en  81-50 gepubliceerd. Na de overgangstermijn van drie jaar zijn deze twee normen per 1 september 2017 volledig van kracht geworden voor nieuwe liften.

Met  medewerking van:Dimitri van Hensbergen  Skylift

Aanverwante dossiers

Onderhoud, Gebouwbeheer, Gebouwautomatisering, Veilige werkplek